achtergrond

‘Hun werk heeft in zeer hoge mate het gezicht van televisie bepaald’

Jarenlang bepaalden ze mede het beeld op televisie met infographics in het Journaal, illustraties bij kinderprogramma’s en animaties. Toch zijn de meeste medewerkers van de voormalige grafische afdeling van NTS, later NOS en NOB, nauwelijks bekend bij het publiek. De eerste generatie illustratoren en grafische vormgevers voor de televisie verdwijnt langzaam uit beeld.

 

‘Het is bijzonder werk geweest, er zitten echt juweeltjes bij. De liefde voor het vak kun je eraan afzien.’ Oordeelt Grietje Hoogland. Zij is een van de weinige mensen in Nederland die zich vanuit de wetenschap bezighoudt met het werk van de tv-illustratoren en vormgevers. Hoogland heeft net haar Bachelorstudie Algemene Cultuurwetenschappen aan de VU afgerond, en heeft zich in illustratie gespecialiseerd. Voor haar scriptie, getiteld Liegbeesten en apekoppen naar een gelijknamig NOT-programma, heeft ze met vier van de vroegere medewerkers van de grafische afdeling gesproken. Het is hoog tijd voor onderzoek, de meeste mensen van het eerste uur zijn er niet meer of raken langzaamaan hoogbejaard. Hoogland: ‘Het is voor de wetenschap een onontgonnen gebied, er is weinig of geen literatuur over. In mijn scriptie heb ik alleen de contouren kunnen aangeven.’

Bij haar onderzoek heeft ze hulp gekregen van Liselotte Doeswijk, medewerker Publicaties bij Beeld en Geluid en bezig met een promotieonderzoek op dit terrein. ‘Bij het begin van de televisie in Nederland, in 1951, was alleen Peter Zwart er voor de vormgeving’, vertelt Doeswijk. ‘Hij deed alles. Decorbouw, ontwerpen, titelkaarten maken, illustreren.’

 

Gevarieerd

Vanuit dat prille en bescheiden begin ontwikkelde zich een echte professionele afdeling Ontwerp. Zwart, die later een belangrijke rol speelde bij de introductie van kleurentelevisie, kreeg versterking van mensen als Jan van der Does en Ger van Essen. ‘Tegen het einde van de jaren vijftig worden de werkzaamheden steeds specialistischer, er worden grafisch ontwerpers aangenomen die zich richten op het maken van titelkaarten, titelrollen en illustraties, zoals Hans Moolenaar, Ton Holst en Marcel van Woerkom’, zegt Doeswijk. ‘In 1965 komt het tweede televisienet erbij en groeit de NTS. Enorm.’ Ook de grafische afdeling wordt groter, er werken dan vijftien tot twintig mensen. ‘Vergeleken met wat er verder op dit vlak bestond, vormden ze op dat moment in feite het grootste ontwerpbureau van Nederland. Hun werk was heel gevarieerd. Ze maakten titelkaarten en –rollen, infographics voor het Journaal, maar ook bijvoorbeeld animaties voor quizvragen en veel illustraties voor jeugdprogramma’s. Grafisch materiaal werd ook in decors gebruikt. Er waren simpele dingen bij, die konden worden gedrukt, maar ook technisch boeiender werk. Denk bijvoorbeeld aan de animaties van Hans de Cocq voor Moef Ga-Ga van regisseur Bob Rooyens of aan het werk van Jaap Drupsteen begin jaren zeventig, die grafische ontwerpen, live-action en animatie combineert met behulp van chroma-key.’

‘Ze zijn creatief heel goed bezig geweest’, vindt ook Hoogland. ‘Ze creëerden bijvoorbeeld een 3D-effect, onder meer met maquettes en gelaagde glasplaten. Binnen de grenzen van hun opdrachten konden ze hun gang gaan, ze hadden veel vrijheid om te maken wat ze wilden. En daar maakten ze gebruik van om iets speciaals te doen. Ze zagen zichzelf overigens eerder als ambachtslieden dan als kunstenaars, want ze werkten in opdracht. Ze hadden een vak en dat beheersten ze.’

 

Eisen

Aan het werk werden eisen gesteld. Hoogland: ‘Dat waren vooral eisen die het werken voor televisie stelde. Zoals het beeldformaat van 3:4, de tijdsdruk waaronder werd gewerkt en het feit dat het maar kort in beeld was. De illustraties bijvoorbeeld bevatten weinig details, want die ziet een kijker niet, daarvoor is het te kort zichtbaar. Ze moesten dus een helder, sterk beeld maken dat in één keer binnenkomt. Dat ging allemaal niet ten koste van de kwaliteit, integendeel. Er lag juist nadruk op de kwaliteit, desnoods werkten ze een avond door. Ze hielpen elkaar ook wel, al werkte ieder apart aan opdrachten.’

‘Het werk was heel verschillend’, zegt ook Doeswijk. ‘De medewerkers hadden ieder een eigen stijl. Het waren heel diverse mensen, die vaak alleen werkten en eigen relaties opbouwden met omroepen, programmamakers en regisseurs. Maar er was ook het besef dat ze een team vormden.’

‘Ze hadden voor een deel gemeenschappelijke inspiratiebronnen’, stelt Hoogland vast. ‘Terry Gilliam bijvoorbeeld, die aan Monty Python meewerkte, en de Yellow Submarine film van de Beatles. Ze keken naar boekillustraties en naar elkaars werk. Je ziet in hun werk wel de tijd terug waarin het is gemaakt, maar het is niet ouderwets. Het blijft mooi.’

 

Conserveren

‘Doordat er alleen voor televisie werd gewerkt en er op dat gebied geen concurrentie was, raakte de afdeling een beetje geïsoleerd binnen het vakgebied in Nederland’, zegt Doeswijk. ‘Het was anoniem werk en dat voelden de medewerkers. Op titelrollen en ander werk gingen ze bijvoorbeeld boodschappen achterlaten voor crewleden: ‘Na gebruik retour grafische afdeling’. Ze wilden het bewaren, zodat ze het bijvoorbeeld konden tentoonstellen in het Stedelijk Museum. Er was zeker waardering voor het werk.’

‘Ook internationaal’, beaamt Hoogland. ‘Nederlands werk kreeg erkenning op festivals in het buitenland.’

‘Na 1988 gaat het met de afdeling bergafwaarts’, zegt Doeswijk. ‘Het NOB wordt zelfstandig, er blijven minder mensen over en ze moeten zich veel meer naar buiten toe profileren, klanten trekken.’ Bovendien staat de buitenwereld niet stil. Doeswijk: ‘De commerciële televisie verschijnt, er komt meer concurrentie van onder meer Valkieser en Beeldwerk, maar ook grote reclamebureaus. De techniek veranderde heel snel.’

Beiden vinden ze het belangrijk dat het werk van de afdeling wordt geconserveerd. Hoogland: ‘Het is misschien te vluchtig geweest om te blijven hangen in het geheugen van de kijker, maar het moet wel overleven. Het is de moeite waard.’ ‘Niet alles wat we hier in de collectie bij Beeld en Geluid hebben, is even bijzonder, maar hun werk heeft in zeer hoge mate het gezicht van televisie bepaald’, vindt Doeswijk. ‘En is daarom absoluut een belangrijk deel van de Nederlandse televisiegeschiedenis.’

 Bas Nieuwenhuijsen

Foto: Liselotte Doeswijk